de
Het bepaald lidwoord dat wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud, en voor alle zelfstandige naamwoorden in het meervoud; verwijst naar een specifiek persoon of ding.
het
Het bepaald lidwoord dat gebruikt wordt voor onzijdige zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud.
een
Het onbepaald lidwoord; wordt voor een zelfstandig naamwoord geplaatst om aan te geven dat het om een niet-specifiek persoon, dier of ding gaat.
mijn
Van mij; geeft aan dat iets eigendom is van of hoort bij de spreker (eerste persoon enkelvoud).
jouw
Van jou; geeft bezit of een relatie aan met betrekking tot de aangesprokene (nadrukkelijke vorm).
uw
Van u; geeft aan dat iets toebehoort aan de persoon die men op beleefde wijze aanspreekt.
zijn
Bezittelijk voornaamwoord van de derde persoon enkelvoud; geeft aan dat iets van hem (mannelijk) of van het (onzijdig) is.
haar
Van haar; geeft aan dat iets toebehoort aan een vrouwelijke persoon.
ons
Bezittelijk voornaamwoord dat aangeeft dat iets van 'wij' is; gebruikt bij onzijdige woorden in het enkelvoud.
jullie
Geeft aan dat iets toebehoort aan de personen tegen wie men spreekt (meervoud).
hun
Van hen; geeft aan dat iets het eigendom is van of hoort bij meerdere personen of zaken (bezittelijk voornaamwoord).
deze
Gebruikt bij enkelvoudige de-woorden om een persoon of zaak aan te duiden die zich dichtbij bevindt.
die
Aanwijzend woord dat verwijst naar een specifiek persoon of voorwerp (de-woord) dat zich verder weg bevindt.
dat
Staat voor een onzijdig zelfstandig naamwoord (het-woord) om dit specifiek aan te wijzen (vaak iets dat verder weg is).
dezelfde
Duidt aan dat een persoon, zaak of situatie identiek is aan een eerder genoemde of bekende entiteit (gebruikt bij de-woorden in het enkelvoud en alle woorden in het meervoud)
zo'n
Gebruikt om een bepaalde eigenschap, soort of graad aan te duiden; verwijst naar iets dat eerder genoemd is of bekend wordt verondersteld.
al
De gehele hoeveelheid of het complete aantal van iets.
elk
elk exemplaar van een groep afzonderlijk beschouwd
ieder
Elk lid van een groep of geheel afzonderlijk beschouwd.
sommige
Een onbepaald aantal personen of dingen, maar niet allemaal.
geen
Gebruikt voor een zelfstandig naamwoord in het enkelvoud om aan te geven dat er niet één exemplaar van is; het tegenovergestelde van 'een'.
beetje
Een kleine hoeveelheid van iets (gebruikt voor niet-telbare woorden).
paar
Twee personen of zaken die bij elkaar horen.
wat
Een onbepaalde, meestal kleine hoeveelheid.
zoveel
Een aanduiding voor een grote, maar vaak niet nader gespecificeerde hoeveelheid of aantal.
hoeveel
Welk aantal of welke hoeveelheid van iets; gebruikt voor een zelfstandig naamwoord.
ik
Verwijst naar de persoon die aan het woord is of de tekst schrijft (eerste persoon enkelvoud).
jij
Je gebruikt dit woord om één persoon aan te spreken (als onderwerp). Het is de benadrukte vorm en wordt gebruikt in informele situaties.
hij
Verwijst als onderwerp naar een mannelijk persoon, dier of een woord met mannelijk geslacht.
zij
zij; persoonlijk voornaamwoord voor de derde persoon enkelvoud vrouwelijk in de onderwerpsvorm
wij
Verwijst naar de spreker en één of meer anderen (eerste persoon meervoud) als onderwerp van de zin.
jullie
Verwijst naar de personen tegen wie men spreekt (meervoud) als onderwerp van de zin.
zij
zij; persoonlijk voornaamwoord voor de derde persoon meervoud in de onderwerpsvorm
het
Persoonlijk voornaamwoord dat verwijst naar een specifiek onzijdig ding, dier of abstract begrip dat eerder is genoemd.
mij
De benadrukte vorm van het persoonlijk voornaamwoord 'ik' in de objectsvorm (lijdend of meewerkend voorwerp) of na een voorzetsel.
me
Wederkerend voornaamwoord eerste persoon enkelvoud (onbeklemtoond); verwijst terug naar het onderwerp 'ik'.
jou
De benadrukte vorm van het persoonlijk voornaamwoord voor de tweede persoon enkelvoud (jij), gebruikt als lijdend of meewerkend voorwerp en na voorzetsels.
haar
De objectvorm van het persoonlijk voornaamwoord 'zij' (derde persoon enkelvoud vrouwelijk).
ons
De vorm van 'wij' wanneer het lijdend of meewerkend voorwerp is, of na een voorzetsel staat.
zich
Wederkerend voornaamwoord voor de derde persoon enkelvoud en meervoud (hemzelf, haarzelf, zichzelf, henzelf).
zelf
In eigen persoon; gebruikt om met nadruk aan te geven dat de genoemde persoon of zaak de handeling verricht, en niet iemand anders.
iemand
Een niet nader aangeduid persoon.
iets
een onbepaalde of niet-gespecificeerde zaak of een ongenoemd voorwerp
niets
geen enkel ding; de afwezigheid van alles
niks
Geen enkel ding; de informele variant van niets.
iedereen
Elke persoon; alle mensen.
allemaal
Iedereen; alle personen in een groep zonder uitzondering.
alles
Alle dingen, zaken of omstandigheden; het geheel zonder uitzondering.
elkaar
Verwijst naar personen of dingen die wederzijds een handeling op de ander richten.
wie
Vragend voornaamwoord dat gebruikt wordt om naar de identiteit van een of meerdere personen te vragen.
wat
Vragend voornaamwoord dat gebruikt wordt om te informeren naar een zaak, gebeurtenis of inhoud.
welke
Vragend voornaamwoord dat vraagt naar een keuze uit een beperkt aantal mogelijkheden.
alle
Elk lid van een groep of de gehele hoeveelheid; zonder uitzondering.
beide
De een en de ander van twee; alle twee.
veel
Een grote hoeveelheid aanduidend; niet weinig (gebruikt bij niet-telbare woorden).
weinig
Een kleine hoeveelheid; niet veel (gebruikt bij niet-telbare woorden).
mens
Een levend wezen dat behoort tot de soort Homo sapiens; een persoon.
man
Een volwassen persoon van het mannelijk geslacht.
vrouw
Een volwassen mens van het vrouwelijk geslacht.
jongen
Een mannelijk kind of een jonge man.
meisje
Een vrouwelijk kind of een jongere.
kind
Een jong mens dat nog niet volwassen is.
opa
De vader van je vader of moeder.
oma
De moeder van een van je ouders.
zoon
Een mannelijk kind in relatie tot zijn ouders.
dochter
Een vrouwelijk kind in relatie tot haar ouders.
broer
een mannelijk kind van dezelfde ouders
familie
Een groep mensen die door bloedverwantschap of huwelijk met elkaar verbonden zijn.
vriend
Een persoon met wie je een speciale, vriendschappelijke, persoonlijke band hebt.
vriendin
Een vrouw of meisje met wie je een vriendschappelijke band hebt.
man
Een mannelijke huwelijkspartner.
vrouw
De vrouwelijke partner in een huwelijk of vaste relatie.
vriend
De mannelijke persoon met wie je een liefdesrelatie hebt.
vriendin
De vrouw of het meisje met wie je een romantische relatie hebt.
politie
Overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde en veiligheid en het opsporen van wetsovertreders.
lichaam
Het fysieke geheel van een mens of dier, bestaande uit botten, vlees en organen
hoofd
Het bovenste deel van het menselijk lichaam, waar de hersenen, ogen, oren, neus en mond zitten.
gezicht
de voorkant van een menselijk hoofd met de ogen, neus en mond
haar
De verzameling draden die op het hoofd van een mens of de huid van een dier groeit.
hand
Het lichaamsdeel aan het einde van de arm, voorbij de pols, waarmee men dingen kan vastpakken.
been
Het lichaamsdeel van een mens of paard dat wordt gebruikt om te staan en te lopen.
pijn
Een onaangenaam lichamelijk gevoel veroorzaakt door ziekte of verwonding.
ziekenhuis
Instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken.
leven
de toestand van het levend zijn of de algemene ervaring van het menselijk bestaan
leeftijd
De tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren.
huis
Een gebouw dat bestemd is om in te wonen.
kamer
Een door muren afgescheiden ruimte in een gebouw, vaak specifiek bedoeld als slaapvertrek.
bed
Een meubelstuk dat gemaakt is om in te slapen.
bank
Een comfortabel, bekleed meubelstuk waarop meerdere mensen naast elkaar kunnen zitten, meestal in de woonkamer.
afwas
De vuile borden, glazen en bestek die nog schoongemaakt moeten worden.
kom
een diep, rond voorwerp van aardewerk of glas om uit te eten of te drinken
kop
Een kom met een oor om warme dranken uit te drinken
t-shirt
een dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
broek
Een kledingstuk dat het onderlichaam en de benen bedekt
portemonnee
Een klein tasje of buidel, meestal van leer, waarin men muntgeld en bankbiljetten bewaart.
telefoon
Een toestel waarmee men op afstand met elkaar kan praten en geluid kan overbrengen.
eten
dat wat iemand tot zich neemt om het lichaam te voeden
water
De heldere vloeistof zonder geur of smaak die uit de kraan komt en die mensen drinken; de chemische verbinding H₂O
aardbei
De eetbare, rode en zoete schijnvrucht van de aardbeienplant.
sinaasappel
een ronde, oranje vrucht met een dikke schil en sappig vruchtvlees
tomaat
een eetbare rode vrucht die meestal als groente wordt gegeten
pannenkoek
Een plat, rond baksel van beslag gemaakt van bloem, melk en eieren, gebakken in een koekenpan.
patat
Gefrituurde aardappelstaafjes, vooral in Noord-Nederland zo genoemd.
tijd
De beschikbare hoeveelheid uren of minuten die men heeft om iets te doen.
moment
Een zeer korte tijdsduur.
keer
Een specifiek moment of een gelegenheid waarbij iets gebeurt.
uur
een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
uur
wordt gebruikt om een specifiek tijdstip op de dag aan te geven
dag
Een periode van 24 uur; de tijd die de aarde nodig heeft om één keer volledig om haar as te draaien.
avond
Het deel van de dag tussen de middag en de nacht, wanneer het donker begint te worden.
nacht
De tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst, wanneer het donker is.
morgen
Het eerste deel van de dag, vanaf zonsopgang tot de middag.
week
Een periode van zeven opeenvolgende dagen, standaard van maandag tot en met zondag.
maand
een tijdsperiode van ongeveer dertig dagen
jaar
de tijd die de aarde nodig heeft om een volledige omloop om de zon te maken, ongeveer 365 dagen
maandag
De eerste dag van de week, die volgt op zondag.
dinsdag
De dag van de week die na maandag en voor woensdag komt.
woensdag
De dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt.
donderdag
de dag van de week na woensdag en voor vrijdag
vrijdag
De dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt.
zaterdag
De dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt.
zondag
Een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt.
januari
de eerste maand van het jaar volgens de gregoriaanse kalender
februari
De tweede maand van het jaar.
maart
De derde maand van het jaar.
april
De vierde maand van het jaar, tussen maart en mei.
mei
De vijfde maand van het jaar, volgend op april en voorafgaand aan juni.
juni
De zesde maand van het jaar volgens de gregoriaanse kalender.
juli
De zevende maand van het jaar.
augustus
De achtste maand van het jaar, volgend op juli en gevolgd door september.
september
De negende maand van het jaar.
oktober
De tiende maand van het jaar.
november
De elfde maand van het jaar.
december
De twaalfde en laatste maand van het jaar.
weer
De toestand van de atmosfeer op een bepaald moment, zoals temperatuur, neerslag en wind.
plaats
Een specifieke locatie, punt of gebied in de ruimte.
plek
Een specifieke locatie of plaats waar iets zich bevindt of gebeurt.
buurt
Een specifiek deel van een stad of dorp waar mensen wonen en dat vaak een eigen naam of karakter heeft.
straat
Een verharde weg tussen huizen in een bewoonde plaats
stad
een grote nederzetting waar veel mensen wonen en veel voorzieningen zijn
dorp
Een kleine woonplaats of nederzetting, groter dan een gehucht maar kleiner dan een stad.
land
Een geografisch afgebakend gebied dat een eigen staat vormt met een eigen regering.
wereld
De planeet aarde en alles wat zich daarop bevindt.
zee
Een uitgestrekt oppervlak zout water dat het grootste deel van de aarde bedekt.
eiland
Een stuk land dat geheel omringd is door water.
grond
Het oppervlak van de aarde of de vloer waarop men staat en loopt.
weg
Een verharde of onverharde strook grond die is aangelegd voor verkeer.
stap
Het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het lopen.
auto
Een voertuig met een motor en wielen, meestal vier, bedoeld om mensen en bagage over de weg te vervoeren.
reis
Een tocht van de ene plaats naar de andere, meestal over een langere afstand.
kaart
Een getekende of gedrukte afbeelding van een geografisch gebied op een plat vlak.
school
Een instelling waar onderwijs wordt gegeven aan leerlingen.
les
Een bijeenkomst waarin onderwijs wordt gegeven of kennis wordt overgedragen.
werk
Een beroep of betaalde bezigheid die iemand uitoefent.
team
Een groep spelers die bij elkaar horen en samen een sport beoefenen of een spel spelen.
spel
Een bezigheid ter ontspanning of vermaak, vaak volgens vaste regels en met een wedstrijdelement.
geld
Algemeen gangbaar betaal- en spaarmiddel dat wordt gebruikt om goederen en diensten af te rekenen.
prijs
Het bedrag dat men moet betalen voor een goed of een dienst
bank
Een financiële instelling waar mensen geld kunnen sparen, lenen en beheren.
kerk
Een gebouw waarin christenen samenkomen voor religieuze diensten en gebed.
naam
Een woord dat gebruikt wordt om een persoon, dier, plaats, ding of begrip aan te duiden.
woord
Een kleinste zelfstandig gebruikte eenheid van taal die een betekenis heeft.
taal
Een systeem van woorden, klanken en grammatica waarmee mensen met elkaar communiceren
stem
Het geluid dat mensen maken bij het spreken of zingen
tekst
Een geschreven of gedrukte verzameling woorden die een samenhangend geheel vormen.
boek
Een samengebonden aantal bladzijden met tekst of afbeeldingen
pagina
Een van de twee zijden van een vel papier in een boek, tijdschrift of krant.
bericht
Een mondelinge of schriftelijke mededeling die informatie overbrengt naar iemand anders.
antwoord
een mondelinge of schriftelijke reactie op een vraag
vraag
Een verzoek om informatie, uitleg of een antwoord.
nummer
Een getal dat wordt gebruikt om iets of iemand te identificeren of een rangorde aan te geven.
nummer
Een reeks cijfers die men kiest om iemand telefonisch te bereiken; verkorting van telefoonnummer.
idee
Een gedachte, plan of inval die iemand bedenkt.
plan
Een voorgenomen reeks handelingen of een idee om een bepaald doel te bereiken
nieuws
Informatie over recente gebeurtenissen of actuele ontwikkelingen.
programma
Een uitzending via radio of televisie.
film
Een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt; een speelfilm.
foto
Een afbeelding die gemaakt is met een camera.
plaatje
Een afbeelding of illustratie in een boek, tijdschrift of ander geschrift.
radio
Een toestel dat uitgezonden radiogolven kan ontvangen en omzetten in geluid
tv
Een elektrisch apparaat om bewegende beelden en geluid te ontvangen.
muziek
Kunstvorm die gebruikmaakt van klanken, ritme en melodie om gevoelens uit te drukken.
begin
Het eerste moment of gedeelte van iets; de start.
eind
Het punt waar iets ophoudt in ruimte of tijd, of het laatste gedeelte van iets.
einde
Het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt.
deel
Een stuk of gedeelte van een groter geheel.
stuk
Een deel, gedeelte of brokstuk van een groter geheel.
kant
Een van de vlakken die de begrenzing van een voorwerp vormen, of een specifiek aspect van een situatie.
midden
Het centrale punt of deel dat even ver van de randen of uiteinden ligt.
ruimte
de beschikbare fysieke plek of afstand die een object kan innemen
vorm
De uiterlijke gedaante of contouren van een object of persoon.
kleur
het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
licht
Straling die dingen zichtbaar maakt; het tegenovergestelde van duisternis.
hulp
de handeling van het ondersteunen of bijstaan van iemand in een moeilijke situatie
bezoek
de handeling van het gaan naar een persoon of plaats om daar tijd door te brengen
plezier
Een gevoel van vreugde, vermaak of tevredenheid.
liefde
Een diep gevoel van genegenheid en verbondenheid met een ander persoon.
probleem
Een moeilijke situatie of omstandigheid die om een oplossing vraagt
zin
Een verlangen of behoefte om iets te doen of te hebben.
kilogram
De standaardeenheid van massa die gelijk is aan duizend gram.
meter
De standaardeenheid voor lengte in het metrieke stelsel, gelijk aan honderd centimeter.
zijn
Koppelwerkwoord dat het onderwerp verbindt met een eigenschap, toestand, beroep of identiteit.
worden
Veranderen in; een nieuwe toestand, eigenschap of beroep krijgen.
blijven
op een bepaalde plaats aanwezig zijn en daar niet weggaan
hebben
In bezit hebben; eigenaar zijn van iets.
kunnen
Het vermogen of de vaardigheid hebben om iets te doen; in staat zijn tot iets.
kunnen
Mogelijk zijn; er bestaat een kans dat iets gebeurt of waar is.
moeten
Verplicht zijn iets te doen door een regel, bevel of noodzaak; geen andere keuze hebben.
mogen
Toestemming hebben om iets te doen of te laten; toegestaan zijn.
willen
Het voornemen of de wens hebben om een handeling te verrichten.
zullen
Hulpwerkwoord om aan te geven dat iets in de toekomst gaat gebeuren.
wonen
Een vaste plek hebben om te leven, te slapen en te verblijven, zoals een huis of appartement.
leven
het biologisch in leven zijn of het doormaken van de periode tussen geboorte en dood
eten
voedsel via de mond tot zich nemen en doorslikken
slapen
in een toestand van rust verkeren waarbij men niet bewust is van de omgeving en het lichaam herstelt
voelen
Zich in een bepaalde lichamelijke of geestelijke toestand bevinden (altijd gebruikt met een wederkerend voornaamwoord zoals 'zich', 'me', 'je').
horen
Geluid waarnemen met de oren
zien
Met de ogen waarnemen; beelden registreren.
kijken
De ogen ergens op richten om iets of iemand te zien.
kijken
Met aandacht iets volgen dat beweegt of verandert, zoals een film of programma.
gaan
Zich verplaatsen van de ene plek naar de andere.
gaan
Hulpwerkwoord dat wordt gebruikt om de toekomende tijd uit te drukken; van plan zijn iets te doen.
gaan
Op een bepaalde manier verlopen, functioneren of gesteld zijn.
komen
Zich bewegen van een verdere plaats naar een plaats dichterbij, meestal in de richting van de spreker.
komen
Afkomstig zijn van; geboren of getogen zijn in een bepaalde plaats of streek.
brengen
Iets of iemand naar een andere plaats meenemen of vervoeren.
halen
ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
rijden
Zich verplaatsen met behulp van een voertuig, zoals een auto of fiets
lopen
Zich te voet verplaatsen in een rustig tempo.
volgen
Iemand of iets achternagaan; in dezelfde richting bewegen achter iemand of iets aan.
vallen
Naar beneden bewegen door de zwaartekracht, vaak per ongeluk of onbedoeld.
staan
Zich rechtop op de voeten bevinden; in verticale positie zijn.
staan
Zich op een bepaalde plaats bevinden; ergens geplaatst zijn.
zitten
Op het zitvlak rusten, waarbij het bovenlichaam rechtop blijft, bijvoorbeeld op een stoel of bank.
liggen
Zich in een horizontale positie bevinden, meestal om te rusten of te slapen.
praten
woorden gebruiken om gedachten, informatie of gevoelens met anderen te delen
spreken
Een bepaalde taal kennen en kunnen gebruiken.
zeggen
Iemand iets mededelen of zich met gesproken woorden uiten.
vertellen
informatie, een verhaal of een gebeurtenis mondeling of schriftelijk overbrengen aan iemand anders
vragen
Mondeling of schriftelijk informatie proberen te verkrijgen.
stellen
Een vraag formuleren en uitspreken.
noemen
Iemand of iets een naam geven of met een naam aanduiden.
schrijven
Tekst of tekens op papier of een scherm zetten met een pen, potlood of toetsenbord
lezen
het zien en begrijpen van geschreven of gedrukte woorden
sturen
Iets, zoals een brief, bericht of pakket, naar een ontvanger of bestemming doen toekomen.
delen
Iets samen met anderen gebruiken, bezitten of ervaren.
denken
Een bepaalde mening hebben of geloven dat iets waar is.
weten
Kennis hebben van iets; op de hoogte zijn van feiten of situaties.
kennen
Bekend of vertrouwd zijn met een persoon, zaak of begrip door ervaring of ontmoeting
vinden
Een bepaalde mening over iets hebben of iets op een bepaalde manier beschouwen.
vinden
Iets of iemand aantreffen of ontdekken na ernaar gezocht te hebben.
zoeken
Proberen iemand of iets te vinden door te kijken of te vragen.
kiezen
uit meerdere mogelijkheden één nemen of een besluit nemen
leren
Kennis of een vaardigheid verwerven door studie, oefening of ervaring.
proberen
Moeite doen om iets te bereiken of uit te voeren, zonder zekerheid dat het lukt.
vergeten
Niet meer weten; uit het geheugen verdwenen zijn.
doen
een actie ondernemen of een handeling verrichten
doen
iets op een bepaalde plaats leggen of stoppen
maken
Iets nieuws vormen, bouwen, bereiden of tot stand brengen.
gebruiken
Iets aanwenden, toepassen of benutten voor een bepaald doel.
nemen
Iets met de handen vastpakken of grijpen
nemen
Reizen met een bepaald vervoermiddel
zetten
iets op een bepaalde plaats of in een bepaalde stand brengen
dragen
Kleding, sieraden of accessoires aan het lichaam hebben.
aanhebben
een kledingstuk of sieraad dragen
aanstaan
In werking zijn of ingeschakeld zijn, zoals bij elektrische apparaten of verlichting.
betalen
geld geven in ruil voor goederen of diensten
kopen
In ruil voor geld iets in bezit krijgen.
krijgen
iets ontvangen of in bezit nemen, variërend van concrete objecten tot abstracte zaken zoals nieuws of een cadeau
geven
iets aan iemand overhandigen of in bezit stellen
helpen
iemand bijstaan of ondersteunen bij een handeling of in een moeilijke situatie
zorgen
Aandacht geven aan iemand of iets om het in goede staat te houden of te helpen.
houden
Veel genegenheid of liefde voelen voor iemand of iets (altijd gebruikt met 'van').
werken
Arbeid verrichten, een taak uitvoeren (vaak in loondienst of voor een specifiek doel)
spelen
zich vermaken met speelgoed of door deel te nemen aan een recreatieve activiteit
laten
Toestaan dat iets gebeurt of dat iemand iets doet; niet verhinderen.
wachten
Op dezelfde plaats blijven of de tijd laten verstrijken totdat iemand komt of er iets gebeurt.
beginnen
Een aanvang nemen; starten op een bepaald moment.
stoppen
Ophouden met een handeling, beweging of activiteit; niet langer doorgaan.
gebeuren
het plaatsvinden van een voorval of situatie; werkelijkheid worden
veranderen
Anders worden; niet hetzelfde blijven
sneeuwen
het vallen van neerslag in de vorm van sneeuwvlokken uit de lucht
alleen
Zonder gezelschap van anderen; op zichzelf zijnd.
jong
Met een leeftijd die laag is; nog niet oud.
oud
Van hoge leeftijd; niet jong meer (vooral gebruikt voor mensen en dieren).
geboren
Ter wereld gekomen of het leven begonnen (gezegd van mensen en dieren).
beter
niet meer ziek; hersteld van een aandoening
blij
een vrolijk of tevreden gevoel hebben, vaak voor een kortere periode
gelukkig
een langdurig gevoel van welzijn en tevredenheid ervaren, vaak met betrekking tot iemands leven als geheel
bang
Gevoelens van angst ervaren voor gevaar, pijn of iets onbekends.
druk
Veel te doen hebbend; weinig tijd hebbend (van een persoon).
groot
Meer dan normaal in formaat of omvang.
klein
van geringe afmeting of omvang
lang
Met een grote afstand van het ene uiteinde naar het andere; niet kort.
lang
Met een grote lichaamslengte; groot van stuk (vooral over personen).
kort
Met een kleine afstand van het ene uiteinde naar het andere; niet lang van lengte.
hoog
Met een grote verticale afstand van beneden naar boven; ver boven de grond of een ander referentiepunt.
half
Niet heel, maar voor ongeveer 50% bestaand uit iets; een van de twee gelijke delen vormend.
heel
Volledig; zonder dat er iets ontbreekt.
licht
Met weinig gewicht; niet zwaar.
hard
Stevig; niet makkelijk in te drukken of te vervormen.
sterk
beschikkend over veel fysieke kracht of vermogen
vast
stevig bevestigd of niet beweeglijk
vol
Geheel gevuld met inhoud; met zoveel als erin past.
rond
Met de vorm van een cirkel, bol of cilinder.
recht
Zonder bochten of krommingen; in een lineaire lijn.
heet
Met een zeer hoge temperatuur; heel warm.
licht
Helder van kleur of met veel licht; niet donker.
snel
Met een hoge snelheid bewegend of handelend; niet langzaam.
dicht
Niet open; gesloten (van een opening, object of gebouw).
open
Niet gesloten; zo dat er doorgang mogelijk is of de inhoud bereikbaar is.
op
Niet meer in bed liggend; wakker en opgestaan.
op
Volledig verbruikt of niet meer aanwezig.
uit
Niet in werking of niet meer brandend; uitgeschakeld.
af
Klaar of voltooid (van werk of een taak).
klaar
Voltooid of afgerond; niet meer bezig zijn met een taak.
klaar
Gereed om te beginnen of gebruikt te worden.
stuk
Kapot, gebroken of niet meer werkend.
laatste
In een reeks door niets meer gevolgd worden.
nieuw
Recent gemaakt, ontstaan of verschenen; nog niet lang bestaand.
oud
Al lange tijd bestaand; uit een vroegere tijd afkomstig en niet nieuw.
laat
Niet vroeg; op een tijdstip dat na het verwachte of gewone moment ligt.
vroeg
Op een tijdstip dat dicht bij het begin van de dag of een periode ligt; niet laat.
goed
Van hoge kwaliteit; zoals gewenst of aangenaam.
slecht
Van lage kwaliteit of niet goed functionerend.
fijn
Aangenaam, leuk of prettig om te ervaren.
leuk
aangenaam, prettig of plezierig
mooi
Aangenaam om naar te kijken of te luisteren; esthetisch aantrekkelijk.
geweldig
Heel erg goed, leuk of aangenaam; fantastisch.
heerlijk
Erg smakelijk; met een heel goede smaak.
lekker
aangenaam, fijn of prettig in het algemeen
moeilijk
Niet gemakkelijk; iets wat veel inspanning, geduld of vaardigheid vraagt.
erg
Vervelend, naar of niet leuk.
duidelijk
Gemakkelijk te begrijpen en niet ingewikkeld
gek
Afwijkend van het gewone, vreemd of raar.
echt
Niet nagemaakt, verzonnen of vals; in overeenstemming met de werkelijkheid.
waar
In overeenstemming met de werkelijkheid; niet gelogen of verzonnen.
juist
Zonder fouten en in overeenstemming met de feiten of regels.
zeker
Waarvan men overtuigd is dat het waar is; waarover geen twijfel bestaat.
veilig
Niet blootgesteld aan gevaar; beschermd tegen risico's of schade.
nodig
Waar behoefte aan is; wat men moet hebben of doen omdat het niet gemist kan worden.
gratis
wat zonder betaling verkregen wordt
vrij
niet hoeven werken of naar school hoeven; vrije tijd hebbend
bekend
Door heel veel mensen gekend en vaak ook gewaardeerd.
gewoon
Niet bijzonder, speciaal of afwijkend; zoals het meestal is of zoals de meeste mensen zijn.
normaal
Gewoon, gebruikelijk, in overeenstemming met wat de meeste mensen doen of verwachten.
ander
Niet hetzelfde als het eerder genoemde of bedoelde; overig.
anders
Niet hetzelfde als iets of iemand anders; verschillend van aard.
eigen
behorend tot jezelf, niet van een ander of gedeeld met anderen
extra
Toegevoegd aan wat normaal, verwacht of noodzakelijk is.
net
schoon, ordelijk en verzorgd
ver
Zich op grote afstand bevindend; niet dichtbij.
nu
Op het huidige ogenblik; op dit moment.
vandaag
op de dag die nu bezig is
gisteren
De dag die direct voorafging aan vandaag.
morgen
De eerstvolgende dag na vandaag.
vroeg
Op een tijdstip dat eerder is dan de meeste anderen of dan gebruikelijk.
vroeger
in het verleden; in een tijd die voorbij is
later
Op een tijdstip in de toekomst; na verloop van tijd.
eerst
Voordat iets anders gebeurt of als begin van een reeks handelingen.
dan
daarna of vervolgens in een reeks gebeurtenissen
al
Aanduiding dat iets eerder heeft plaatsgevonden dan verwacht of op dit moment reeds een feit is.
net
zeer kort geleden; op dit eigenste moment
even
Voor een korte tijd; gedurende een kort moment.
geleden
geeft aan dat een bepaalde periode verstreken is sinds een moment in het verleden
nog
Duidt aan dat een toestand of situatie voortduurt en op dit moment nog niet is veranderd.
nog
Duidt een toevoeging of herhaling aan; meer dan wat er al was.
altijd
Op elk moment; voortdurend en zonder einde.
vaak
Op veel momenten of in veel gevallen; niet zelden.
soms
Niet altijd, maar op bepaalde momenten.
nooit
op geen enkel moment; niet één keer
weer
Nog een keer; duidt een herhaling aan.
hier
Op deze plaats; de plek waar de spreker zich bevindt.
daar
Op die plaats; niet hier.
er
Gebruikt als voorlopig onderwerp om aan te geven dat iets of iemand bestaat of aanwezig is (vaak in combinatie met 'zijn').
thuis
Op de plek waar je woont of vandaan komt.
beneden
Op de onderste verdieping van een huis of gebouw.
binnen
In een gebouw, huis of overdekte ruimte.
buiten
in de open lucht, niet binnen in een gebouw of huis
boven
op een hogere verdieping van een gebouw
heen
Naar een bepaalde plaats of in een bepaalde richting.
mee
Samen met iemand anders of in gezelschap; tegelijkertijd met een ander.
terug
Naar de plaats of toestand waar men vandaan kwam.
weg
Naar een andere plaats toe; verwijderd van de huidige locatie.
weg
Niet meer aanwezig op de verwachte plaats; verdwenen of zoekgeraakt.
uit
Naar buiten toe; weg van een binnenruimte naar een andere plaats.
af
Weg van een plaats, oppervlak of object; duidt een verwijdering of neerwaartse beweging aan.
aan
In werking of ingeschakeld (van apparaten, machines of verlichting).
links
Aan de kant die tegenover rechts ligt.
rechts
Aan de kant die tegenovergesteld is aan links; in de richting van de rechterhand.
rechtdoor
in een ononderbroken lijn vooruit, zonder naar links of rechts af te slaan
ver
Op of tot een grote afstand in ruimte of tijd.
noord
In de richting van het noorden; naar de kant waar de kompasnaald naar wijst.
oost
In de richting van het oosten.
zuid
In de richting van de zuidpool; tegenovergesteld aan het noorden.
west
De windstreek waar de zon ondergaat, tegenover het oosten.
overal
Op alle plaatsen; op elke plek waar je bent of kijkt.
erg
In hoge mate; gebruikt om een eigenschap te versterken.
zeer
in hoge mate of intensiteit
te
In een hogere mate dan wenselijk, nodig of goed is.
helemaal
Volledig; in alle opzichten, zonder dat er iets ontbreekt.
bijna
Niet helemaal, maar het scheelt heel weinig.
genoeg
In een mate die voldoende of toereikend is.
meer
In hogere mate of intensiteit.
meer
Niet langer; duidt aan dat een handeling of toestand is gestopt.
meest
In de hoogste mate; gebruikt voor een bijvoeglijk naamwoord om de overtreffende trap te vormen.
veel
Op veel momenten of gelegenheden.
ongeveer
Niet precies, maar dichtbij het werkelijke aantal, de maat of de tijd.
precies
Helemaal juist; zonder afwijking of verschil.
vooral
meer dan andere dingen of personen; in het bijzonder
goed
Op een juiste, bekwame of prettige manier.
samen
Bij elkaar; in gezelschap van anderen.
anders
Op een andere manier; niet op de gebruikelijke of eerdere wijze.
gewoon
Zonder meer; simpelweg; alleen maar.
graag
Met plezier; wordt gebruikt om aan te geven dat men iets leuk vindt om te doen of wenst.
natuurlijk
Vanzelfsprekend; zoals iedereen begrijpt of verwacht.
echt
Gebruikt om een bewering te bevestigen of de intensiteit te versterken; werkelijk of zeer.
zeker
Zonder twijfel; stellig; als bevestiging.
zo
Op deze of die manier; op de aangeduide wijze.
ook
geeft aan dat iets of iemand anders hetzelfde doet of is; daarnaast, tevens
maar
Niet meer dan; geeft een beperking of klein aantal aan.
alleen
Niet meer of niets anders dan; uitsluitend.
ja
Wordt gebruikt om een vraag bevestigend te beantwoorden of om instemming en toestemming uit te drukken.
niet
Wordt gebruikt om een ontkenning uit te drukken; het tegenovergestelde van 'wel'.
wel
Gebruikt om een ontkenning tegen te spreken of extra nadruk te leggen op een bevestiging (het tegenovergestelde van 'niet').
misschien
Drukt uit dat iets mogelijk is, maar niet zeker.
toch
Wordt gebruikt in een vraagzin om bevestiging of instemming van de luisteraar te zoeken.
hoe
Vragend woord om naar de wijze, manier of toestand te vragen.
waar
Vragend: op welke plaats of plek?
wanneer
Op welk tijdstip; op welk moment.
waarom
Om welke reden of oorzaak; met welk doel.
daarom
om die reden; geeft een gevolg of conclusie aan
in
Zich bevindend aan de binnenzijde of binnen de grenzen van een ruimte, plaats of object.
binnen
In de ruimte die door iets omsloten wordt of aan de binnenzijde van een grens.
buiten
niet ingesloten in of beperkt tot de genoemde ruimte, tijd of categorie
boven
op een hogere plaats dan iets anders, zonder het aan te raken
onder
Op een plaats die lager is dan iets of iemand anders.
naast
Aan de zijkant van iemand of iets; in de directe nabijheid.
achter
Aan de rugzijde of achterkant van iets of iemand; niet ervoor.
voor
Aan de voorkant van iets of iemand; dichterbij dan iets anders.
bij
In de directe omgeving van; op korte afstand van.
tussen
In de ruimte die twee of meer personen of zaken van elkaar scheidt, of bij het maken van een keuze of vergelijking.
rond
Aan alle kanten van iets of iemand; om iets heen.
op
Bovenop iets rustend of steunend, waarbij er fysiek contact is.
aan
Fysiek verbonden met, hangend aan of bevestigd tegen een oppervlak.
tegen
In fysieke aanraking met, botsend op of steunend tegen iets.
langs
Aan de zijkant van of evenwijdig aan iets.
door
Via de binnenkant van iets naar de andere kant; geeft een beweging aan die een ruimte doorkruist.
over
Aan de bovenkant van iets, of bewegend naar de andere kant van iets.
uit
Geeft aan dat iets of iemand van een bepaalde plaats, tijd of bron afkomstig is, of zich van binnen naar buiten beweegt.
naar
In de richting van een plaats, persoon of doel; beweging naar iets toe.
tot
Geeft een eindpunt in tijd, ruimte of hoeveelheid aan.
van
geeft aan waar iemand of iets vandaan komt (herkomst)
vanaf
Duidt het beginpunt van een tijdsperiode of een specifiek moment aan waarna iets geldt.
in
Gedurende een tijdsbestek of op een specifiek moment binnen een periode.
op
Gebruikt om een specifiek tijdstip of een bepaalde dag aan te duiden.
om
Aanduiding van een specifiek tijdstip.
na
Volgend op een bepaald tijdstip of een gebeurtenis; later dan.
voor
Eerder in de tijd dan; voorafgaand aan.
bij
In het huis van of in het gezelschap van (iemand).
met
In gezelschap van of samen met iemand of iets.
met
Door middel van; gebruikmakend van een voorwerp, instrument of vervoermiddel.
van
geeft aan dat iets van iemand is of bij iemand hoort (bezit of relatie)
voor
Ten behoeve van; bestemd om te geven aan of te gebruiken door.
zonder
In afwezigheid van; niet in het bezit van of niet vergezeld door.
over
Met als onderwerp; betreffende.
als
In de hoedanigheid van; in de functie of rol van.
tegen
Gericht tot een persoon, gebruikt om aan te geven tegen wie men spreekt of hoe men zich gedraagt.
aan
In de directe nabijheid van, grenzend aan of gelegen bij.
op
Aanwezig op een locatie, bij een instelling of tijdens een activiteit.
en
Wordt gebruikt om woorden, zinsdelen of zinnen met elkaar te verbinden.
of
Voegwoord dat een keuze aangeeft tussen twee of meer mogelijkheden.
maar
Wordt gebruikt om een tegenstelling aan te geven ten opzichte van wat eerder is gezegd of gedacht.
dat
Verbindt een bijzin met de hoofdzin; leidt vaak een mededeling, gedachte, wens of feit in.
omdat
Geeft een reden of oorzaak aan.
want
geeft een reden of verklaring aan voor wat eerder is gezegd
dus
Om die reden; verbindt een oorzaak met een gevolg.
als
Op voorwaarde dat; in het geval dat.
als
Op het moment dat; wanneer.
toen
Op het moment dat iets in het verleden gebeurde.
dan
gebruikt na een vergrotende trap om een verschil aan te geven
dag
Een begroeting die men gebruikt bij een ontmoeting.
welkom
Een begroeting die men uitspreekt wanneer iemand ergens arriveert.
dag
Een groet die men gebruikt bij het weggaan of afscheid nemen.
bedankt
Een uitroep om dankbaarheid of waardering te tonen.
dankuwel
een beleefde manier om iemand te bedanken
sorry
Een uitdrukking om spijt te betuigen of excuses aan te bieden voor een fout of vergissing.
nee
Een woord dat wordt gebruikt om een vraag ontkennend te beantwoorden of om een verzoek te weigeren; het tegenovergestelde van ja.
succes
Een uitroep om iemand geluk te wensen bij een taak of uitdaging.