Nederlandse woordenlijst

Woordenschat over de familie

De Nederlandse woorden voor familieleden en relaties — woordenschat om over je familie te praten.

45 woorden
familie
Een groep mensen die door bloedverwantschap of huwelijk met elkaar verbonden zijn.
gezin
Huishouden bestaande uit een of meer ouders en hun kinderen.
ouders
Meervoud van ouder.
moeder
Een vrouwelijke ouder.
vader
Een mannelijke ouder.
kind
Een jong mens dat nog niet volwassen is.
dochter
Een vrouwelijk kind in relatie tot haar ouders.
zoon
Een mannelijk kind in relatie tot zijn ouders.
zus
Een vrouwelijk kind van dezelfde ouders.
broer
een mannelijk kind van dezelfde ouders
oma
De moeder van een van je ouders.
opa
De vader van je vader of moeder.
kleinzoon
Een zoon van iemands kind; een mannelijk kleinkind.
kleindochter
Een dochter van iemands kind; een vrouwelijk kleinkind.
tante
De zus of schoonzus van iemands vader of moeder.
oom
de broer of zwager van iemands vader of moeder
nicht
Dochter van iemands oom of tante
neef
Een zoon van iemands oom of tante.
baby
Een mens in de eerste fase van zijn leven, meestal jonger dan één jaar.
peuter
Jong kind, meestal in de leeftijd van twee tot vier jaar, dat nog niet naar de basisschool gaat.
kleuter
Een jong kind in de leeftijd van ongeveer vier tot zes jaar dat naar de basisschool gaat.
puber
iemand in de levensfase tussen kindertijd en volwassenheid
crèche
Een opvangcentrum of oppascentrum waar baby's en jonge kinderen overdag worden verzorgd.
kinderopvang
De verzorging van kinderen terwijl de ouders afwezig zijn, bijvoorbeeld omdat ze werken.
kinderdagverblijf
Een plaats waar jonge kinderen overdag onder professioneel toezicht kunnen verblijven terwijl hun ouders werken.
kinderwagen
Een voertuig op wielen waarin een baby of klein kind liggend of zittend kan worden vervoerd.
huwelijk
De wettelijke en officiële verbintenis tussen twee personen om samen te leven.
echtpaar
Twee mensen die met elkaar getrouwd zijn.
stel
Twee mensen die bij elkaar horen, meestal partners in een liefdesrelatie.
partner
Iemand met wie men een vaste romantische relatie heeft of getrouwd is
relatie
Een persoonlijke en vaak romantische verhouding tussen twee mensen.
liefde
Een diep gevoel van genegenheid en verbondenheid met een ander persoon.
roepnaam
De naam die iemand in het dagelijks leven gebruikt en waarmee diegene wordt aangesproken.
verjaardag
De dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren is.
leeftijd
De tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren.
groeien
Fysiek groter worden van levende organismen zoals mensen, dieren of planten.
oppassen
Tijdelijk voor kinderen, huisdieren of een huis zorgen als de ouders of eigenaars weg zijn.
kennen
Bekend of vertrouwd zijn met een persoon, zaak of begrip door ervaring of ontmoeting
ontmoeten
met iemand kennismaken of bij elkaar komen om tijd samen door te brengen
noemen
Iemand of iets een naam geven of met een naam aanduiden.
heten
De naam dragen; als naam hebben.
aardig
Vriendelijk en prettig in de omgang met anderen.
ruzie
Een toestand van boosheid en onenigheid; een conflict tussen personen.
homoseksueel
Seksueel aangetrokken tot personen van hetzelfde geslacht.
gepensioneerd
niet meer werkzaam vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd
Hoe het werkt

Leer deze lijst in 4 stappen met OpenWords

Elk woord uit deze lijst —en het volledige woordenboek— is ingebouwd in de app.

Download de app

Installeer OpenWords op iOS of Android, zonder account.

Open deze lijst

Vind de lijst in de app of zoek direct naar de specifieke woorden die je nodig hebt.

Voeg woorden toe

Sla de woorden die je wilt leren met één tik op in je persoonlijke lijst.

Oefen met slimme flashcards

Herhaal woorden op verschillende manieren via een spaced repetition-schema.

Volledig gratis · Geen account nodig · Werkt offline