Engelse woordenlijst

500 meest voorkomende Engelse woorden

Leer eerst de woorden die het zware werk verzetten. Het beheersen van de meest voorkomende Engelse woorden is de snelste manier om de overstap te maken van een paar losse termen herkennen naar begrijpen waar het gesprek echt over gaat. Elk woord is voorzien van een vertaling.

500 woorden

Woorden 1–100

1
the
de, het
2
and
en
3
for
voor, om te
4
do
doen, uitvoeren
5
in
in
6
that
dat, die
7
for
voor
8
you
jij, je, u
9
it
het, hij, ze
10
on
op
11
with
met, bij
12
this
dit, deze
13
be
zijn
14
as
terwijl, toen, wanneer
15
have
hebben
16
at
bij, op, aan
17
not
niet
18
he
hij, ie
19
from
uit, van
20
but
maar, echter
21
my
mijn, m'n
22
we
we, wij
23
or
of
24
your
je, jouw, jullie
25
so
zo, heel
26
all
alle, al, heel
27
his
de zijne, het zijne, van hem
28
they
ze, zij
29
one
één, een
30
if
als, indien
31
can
kunnen, in staat zijn
32
will
zullen
33
just
slechts, enkel, gewoon
34
like
leuk vinden, houden van, graag hebben
35
about
over, betreffende, aangaande
36
up
omhoog, naar boven
37
what
wat, hoe
38
out
uit, naar buiten
39
when
wanneer
40
more
meer
41
no
niet, niets
42
do
Used with a main verb to form questions.
43
who
wie
44
their
hun
45
there
daar, ginds, ginder
46
which
welke, welk
47
her
haar, ze
48
time
tijd
49
get
halen, kopen, verkrijgen
50
would
zou, zouden, willen
51
she
zij, ze
52
people
mensen, personen, lui
53
new
nieuw, vers
54
how
hoe, hoeveel
55
some
enkele, wat, sommige
56
also
ook, eveneens, tevens
57
now
nu, thans, momenteel
58
other
om de andere
59
than
dan
60
only
alleen, alleen maar, enkel
61
good
goed, leuk, lekker
62
into
in, naar binnen
63
first
eerste
64
after
na, over
65
two
twee
66
see
zien, aanschouwen
67
know
weten
68
think
denken, vinden, geloven
69
over
boven
70
make
maken, produceren
71
then
toen, dan, daarna
72
any
enkele, enig, geen
73
could
zou mogen, kunnen
74
want
willen, verlangen naar
75
back
terug
76
well
goed
77
go
gaan, reizen
78
because
omdat, want, aangezien
79
way
weg, route, afstand
80
where
waar, waarheen, waarnaartoe
81
very
heel, erg, zeer
82
much
veel, erg
83
most
meest, -ste
84
should
moeten, zou moeten
85
even
zelfs, niet eens
86
may
mogen, kunnen
87
really
echt, werkelijk, heel
88
need
nodig hebben, moeten
89
here
hier
90
year
jaar
91
work
werken, functioneren
92
right
rechter-, rechts
93
too
ook, eveneens
94
day
dag, etmaal
95
why
waarom
96
off
weg, ervandoor
97
before
voor, vóór
98
take
brengen, meenemen
99
still
nog steeds, nog, nog altijd
100
never
nooit, nimmer

Woorden 101–300

101
many
talrijk, vele
102
world
wereld, aarde
103
say
zeggen
104
life
leven, bestaan
105
great
geweldig, fantastisch, heerlijk
106
down
naar beneden, neer
107
through
door, doorheen
108
while
terwijl
109
last
laatst, laatste
110
such
zo'n, zo, zulk
111
best
beste
112
man
man, heer
113
love
liefde
114
use
gebruiken, aanwenden
115
something
iets
116
look
kijken
117
long
lang
118
home
thuis, huis, verblijf
119
same
dezelfde, hetzelfde
120
every
ieder, elk
121
both
beide, allebei
122
state
toestand, staat
123
part
deel, gedeelte
124
come
komen
125
between
tussen
126
around
om, rond, rondom
127
find
vinden
128
better
beter
129
always
altijd, steeds
130
since
sinds, sedert
131
old
oud, bejaard, op leeftijd
132
little
klein
133
high
hoog
134
help
helpen, assisteren
135
own
bezitten, hebben, eigenaar zijn van
136
another
nog een, een andere
137
under
onder, beneden
138
thing
ding, voorwerp
139
game
spel, spelletje
140
during
gedurende, tijdens
141
school
school
142
place
plaats, plek
143
house
huis, onderkomen
144
give
geven, overhandigen, schenken
145
next
volgend
146
again
weer, opnieuw, nogmaals
147
without
zonder
148
each
elk, ieder
149
show
laten zien, tonen, vertonen
150
must
moeten
151
end
einde, eind
152
against
tegen
153
sure
zeker
154
feel
voelen
155
big
groot, omvangrijk
156
put
leggen, zetten, plaatsen
157
please
alstublieft, alsjeblieft, gelieve
158
keep
houden, behouden, bewaren
159
family
gezin, familie
160
ever
ooit, eens
161
money
geld
162
second
tweede
163
free
gratis, vrij
164
number
aantal, hoeveelheid
165
left
linker, links
166
away
weg, vandaan
167
until
tot
168
play
spelen
169
night
nacht
170
name
naam
171
city
stad
172
real
echt, werkelijk
173
let
laten, toestaan, toelaten
174
few
een paar, enkele
175
company
bedrijf, firma, vennootschap
176
set
neerzetten, zetten, dekken
177
different
anders, verschillend
178
top
bovenkant, top, topje
179
public
openbaar, publiek
180
group
groep, verzameling
181
government
overheid, regering
182
week
week
183
system
systeem, stelsel
184
start
beginnen, starten, opstarten
185
care
geven om, schelen, zich bekommeren om
186
business
bedrijf, zaak, onderneming
187
today
vandaag
188
person
persoon, mens
189
nothing
niets, niks
190
case
geval, kwestie
191
anything
iets, niets, wat dan ook
192
already
al, reeds
193
read
lezen
194
point
punt, doelpunt
195
live
wonen, leven
196
full
vol
197
everything
alles
198
enough
genoeg, voldoende
199
change
veranderen
200
tell
vertellen, zeggen
201
support
steunen, ondersteunen, achter staan
202
once
een keer, eenmaal, eens
203
mean
betekenen, willen zeggen
204
hard
hard, stevig
205
bad
slecht
206
water
water
207
stop
stoppen, stilstaan, halthouden
208
power
vermogen, macht
209
music
muziek
210
small
klein, gering, nietig
211
head
hoofd, kop
212
call
noemen, heten
213
believe
geloven
214
yes
ja
215
try
proberen, trachten, pogen
216
though
hoewel, ofschoon
217
side
kant, zijde
218
job
baan, werk, job
219
service
service, dienst, bediening
220
run
rennen, hardlopen
221
party
feest, party, fuif
222
order
bestelling, order
223
line
lijn, streep
224
less
minder
225
thank
danken, bedanken
226
season
seizoen, jaargetijde
227
open
openen, openmaken, opendoen
228
country
land, staat
229
general
algemeen, globaal
230
war
oorlog, krijg
231
together
samen, tezamen
232
law
wet, recht
233
black
zwart
234
area
gebied, wijk, buurt
235
story
verhaal, vertelling, geschiedenis
236
kind
aardig, lief, vriendelijk
237
face
gezicht, snuit
238
car
auto, wagen, automobiel
239
important
belangrijk, voornaam
240
hope
hopen
241
health
gezondheid, welzijn
242
course
cursus, opleiding
243
young
jong, jeugdig
244
post
post
245
information
informatie, inlichtingen, gegevens
246
early
vroeg, begin-
247
book
boek
248
able
in staat, kunnen
249
talk
praten, spreken
250
ago
geleden
251
single
enkel, één, enkelvoudig
252
often
vaak, dikwijls, menigmaal
253
mind
mening, besluit
254
hand
hand
255
half
helft
256
fact
feit
257
court
baan, veld
258
true
waar, echt
259
south
zuiden
260
problem
probleem, moeilijkheid
261
pay
betalen
262
office
kantoor, bureau
263
food
eten, voedsel
264
death
dood, overlijden
265
control
controle, beheersing, macht
266
body
lichaam, lijf
267
become
worden
268
wrong
fout, verkeerd, onjuist
269
win
winnen, overwinnen
270
university
universiteit, unief, universitair
271
several
afzonderlijk, eigen
272
room
kamer, vertrek, ruimte
273
large
groot, grootser
274
history
geschiedenis, geschiedkunde
275
almost
bijna, vrijwel, nagenoeg
276
remember
zich herinneren, onthouden, binnenschieten
277
pretty
mooi, leuk, lief
278
girl
meisje
279
along
langs, over
280
understand
begrijpen, snappen, verstaan
281
probably
waarschijnlijk, vermoedelijk
282
nice
leuk, fijn, mooi
283
friend
vriend, vriendin, maatje
284
air
lucht
285
possible
mogelijk, eventueel
286
past
verleden
287
idea
idee, gedachte
288
close
sluiten, dichtdoen, dichten
289
class
les, klas
290
woman
vrouw
291
wait
wachten, afwachten
292
series
serie, televisieserie
293
question
vraag
294
move
bewegen, zich bewegen, zich verplaatsen
295
happy
gelukkig, blij, tevreden
296
cause
oorzaak, reden
297
watch
kijken, bekijken
298
special
speciaal, bijzonder
299
leave
vertrekken, weggaan, verlaten
300
late
laat, vertraagd

Woorden 301–500

301
ask
vragen
302
stay
blijven
303
short
kort
304
police
politie
305
morning
ochtend, morgen
306
low
laag, niet hoog
307
light
licht
308
future
toekomst
309
either
of, ofwel, hetzij
310
turn
draaien, omdraaien
311
third
derde
312
soon
snel, binnenkort, gauw
313
report
rapport, verslag
314
red
rood
315
reason
reden, oorzaak, grond
316
rather
liever, eerder
317
deal
deal, overeenkomst, afspraak
318
buy
kopen, aanschaffen, aankopen
319
age
leeftijd, ouderdom
320
heart
hart
321
form
formulier
322
check
controleren, checken, inspecteren
323
among
tussen, te midden van, onder
324
phone
telefoon, mobieltje
325
fire
vuur, kampvuur
326
child
kind
327
although
hoewel, ofschoon, ondanks dat
328
act
handelen, ingrijpen
329
west
westen
330
quite
tamelijk, nogal, best
331
plan
plan
332
near
nabij, bij, dichtbij
333
market
markt, marktplein
334
easy
makkelijk, gemakkelijk, eenvoudig
335
building
gebouw, bouwwerk, pand
336
behind
achter
337
art
kunst
338
street
straat
339
son
zoon
340
sometimes
soms, weleens, somtijds
341
ready
klaar, gereed
342
front
voorkant, voorzijde
343
education
onderwijs, educatie, vorming
344
available
beschikbaar, voorhanden, verkrijgbaar
345
type
type, soort
346
meet
ontmoeten, leren kennen
347
experience
ervaring, ondervinding
348
example
voorbeeld
349
college
hogeschool, universiteit, college
350
bring
brengen, meebrengen
351
word
woord
352
study
studeren, leren
353
song
lied, liedje, nummer
354
father
vader, papa, pa
355
chance
kans, gelegenheid, mogelijkheid
356
baby
baby
357
outside
buiten, voor
358
month
maand
359
clear
duidelijk, helder
360
action
actie, maatregelen
361
across
over, dwars over
362
town
stad, stadje
363
road
weg, baan
364
mother
moeder, mama
365
moment
moment, ogenblik, tel
366
main
belangrijkste, voornaamste, hoofd-
367
instead
in plaats daarvan, in plaats van
368
field
veld, weiland, akker
369
cut
snijden, knippen
370
cost
kosten, prijs
371
board
bord
372
wife
vrouw, echtgenote, gade
373
summer
zomer, zomers
374
space
ruimte, plaats
375
rest
rest, overige
376
price
prijs
377
hear
horen
378
fine
goed, prima, in orde
379
fight
vechten tegen, bevechten, strijden tegen
380
department
afdeling, departement, dienst
381
strong
sterk, krachtig
382
miss
missen
383
land
land
384
date
datum
385
beautiful
mooi, prachtig, schoon
386
similar
vergelijkbaar, soortgelijk, gelijkend
387
record
plaat, grammofoonplaat, elpee
388
position
positie, locatie, plaats
389
include
inclusief zijn, bevatten, omvatten
390
especially
vooral, in het bijzonder, met name
391
account
rekening, bankrekening
392
share
delen
393
personal
persoonlijk, eigen
394
perfect
perfect, volmaakt
395
film
film
396
common
gewoon, veelvoorkomend
397
club
club, vereniging
398
above
boven
399
view
uitzicht, zicht
400
test
toets, test, examen
401
star
ster
402
sense
zintuig, zin
403
return
terugkeren, terugkomen, teruggaan
404
private
persoonlijk, privé
405
player
speler, speelster
406
inside
binnen, binnenin
407
industry
industrie, sector, branche
408
hold
vasthouden, houden
409
happen
gebeuren, plaatsvinden, voorvallen
410
dead
dood, overleden, gestorven
411
wish
wensen, willen
412
sorry
spijt hebben, bedroefd
413
result
resultaat, gevolg, uitkomst
414
present
cadeau, geschenk
415
middle
midden, centrum
416
member
lid
417
hour
uur
418
event
gebeurtenis, geval
419
break
breken, kapotmaken
420
society
samenleving, maatschappij
421
learn
leren, studeren
422
interest
belangstelling, interesse
423
guess
raden, gissen
424
gold
goud
425
design
ontwerp, bouwplan
426
boy
jongen
427
answer
antwoord, reactie
428
press
drukken, indrukken
429
park
park
430
hot
heet, warm
431
east
oosten
432
church
kerk
433
certain
zeker
434
bank
bank
435
average
gemiddeld, doorsnee
436
alone
alleen, eenzaam
437
value
waarde, prijs-kwaliteitverhouding
438
usually
meestal, gewoonlijk
439
sound
geluid, klank
440
relationship
relatie, verhouding
441
provide
voorzien van, verstrekken, verschaffen
442
meeting
vergadering, bijeenkomst, meeting
443
ground
grond, bodem
444
bill
rekening, factuur
445
stand
staan
446
save
redden
447
round
rond
448
follow
volgen
449
trust
vertrouwen
450
step
stap, pas
451
size
grootte, afmeting, formaat
452
picture
foto, plaatje
453
match
lucifer, zwavelstokje
454
green
groen
455
fast
snel, vlug, rap
456
fall
vallen
457
eat
eten, consumeren, vreten
458
drive
rijden, besturen
459
blue
blauw
460
amount
hoeveelheid
461
various
divers, uiteenlopend, verschillend
462
upon
op, bij, na
463
trade
handel, commercie
464
science
natuurwetenschappen, wetenschap
465
page
bladzijde, pagina
466
key
sleutel
467
central
centraal
468
vote
stem
469
send
sturen, verzenden, opsturen
470
hate
haten, een hekel hebben aan
471
cup
kopje, kop, mok
472
chief
opperhoofd, chef, hoofd
473
character
personage, karakter
474
brother
broer, broertje, broeder
475
serious
ernstig, serieus
476
oil
olie, plantaardige olie
477
language
taal
478
dog
hond
479
complete
voltooien, afronden, afmaken
480
blood
bloed
481
situation
situatie, toestand, omstandigheden
482
poor
arm, armoedig, berooid
483
perhaps
misschien, wellicht, mogelijk
484
kill
doden, vermoorden
485
enjoy
genieten van, leuk vinden
486
decision
beslissing, besluit
487
born
geboren, aangeboren
488
attack
aanval, aanslag
489
article
artikel, bijdrage
490
add
toevoegen, erbij doen
491
walk
lopen, wandelen, stappen
492
simple
eenvoudig, simpel
493
sign
bord, bordje
494
seem
lijken, schijnen
495
race
race, wedloop, wedstrijd
496
lose
verliezen, kwijtraken
497
increase
toenemen, groeien, stijgen
498
hair
haar, kapsel
499
foreign
buitenlands, vreemd
500
door
deur, portier
Hoe het werkt

Leer deze lijst in 4 stappen met OpenWords

Elk woord uit deze lijst —en het volledige woordenboek— is ingebouwd in de app.

Download de app

Installeer OpenWords op iOS of Android, zonder account.

Open deze lijst

Vind de lijst in de app of zoek direct naar de specifieke woorden die je nodig hebt.

Voeg woorden toe

Sla de woorden die je wilt leren met één tik op in je persoonlijke lijst.

Oefen met slimme flashcards

Herhaal woorden op verschillende manieren via een spaced repetition-schema.

Volledig gratis · Geen account nodig · Werkt offline